Waarom één camera soms tekortschiet

Een enkelvoudige camera heeft één kijkhoek op het bord. Bij drie pijlen dicht bij elkaar in de triple 20 kan de camera de achterste pijl simpelweg niet zien: de vluchten van de voorste pijlen blokkeren het zicht volledig. Dat levert een gemiste detectie op, of een verkeerd gescoord segment. Een tweede camera vanuit een andere hoek lost dit op. Niet omdat meer camera's altijd beter zijn, maar omdat de combinatie van twee kijkhoeken vrijwel geen enkel segment meer volledig kan blokkeren.

Positie en hoek: niet zomaar een tweede camera erbij hangen

De klassieke dubbele opstelling plaatst één camera links en één camera rechts van het bord, elk op ongeveer 45 graden ten opzichte van het hart. Samen bestrijken ze het hele bord zonder dat één kant een scherpe perspectiefdistorsie oploopt. De montagehoogte ligt het best ter hoogte van de bull (173 cm boven de grond), of maximaal een paar centimeter hoger. Een camera die te hoog hangt ziet het bord van boven en mist de segmentgrenzen in de bovenste sectoren scherp. De afstand van de camera tot het bordsoppervlak zit idealiter tussen de 40 en 55 cm. Dichter dan 40 cm geeft een te brede kijkhoek en vervormde segmentranden. Verder dan 60 cm maakt de buitensegmenten klein en moeilijk te onderscheiden.

Aspect Één camera Twee camera's
Blinde hoeken Mogelijk bij volle pijlsectie Sterk verminderd
Kalibratie-inspanning Eenvoudig, één stap Twee stappen en zonegrens controleren
Extra hardwarekosten Geen Circa €30 tot €80 voor tweede camera
Synchronisatie Geen aandacht voor nodig Framerate en USB-bandbreedte afstemmen
Detectiebetrouwbaarheid in overlapzone Niet van toepassing Hoger: beide camera's bevestigen elkaars meting

Sync: wanneer de camera's niet op hetzelfde moment kijken

USB-camera's starten hun belichting niet op exact dezelfde milliseconde. Als beide camera's onafhankelijk van elkaar frames verwerken, kan een vliegende pijl op camera A nog in de lucht zijn, terwijl hij op camera B al in het bord zit. Dat levert inconsistente detecties op en soms een dubbele registratie van dezelfde worp. De praktische oplossing is tweeledig: zorg dat beide camera's op dezelfde framerate draaien (beide op 60 fps, of beide op 30 fps, maar nooit gemengd), en sluit ze aan op aparte USB-controllers. Een gedeelde USB-hub verdeelt bandbreedte en kan frameverlies veroorzaken, wat de timing verder ontregelt. Autodarts handelt de softwarekant van de synchronisatie zelf af, maar met goed afgestemde hardware geef je de software een eerlijke kans.

Overlap is je sterkste punt, maar ook een valkuil

Het overlappende beeldveld is het gedeelte van het bord dat beide camera's tegelijk zien. Dat klinkt als een probleem, maar het is juist waar de detectie het meest betrouwbaar wordt. Als camera A en camera B onafhankelijk van elkaar dezelfde pijl in hetzelfde segment herkennen, heeft de software twee overeenkomende metingen. Dat vergroot het vertrouwen in de uitkomst aanzienlijk. Het wordt pas een probleem als de software de overlap niet kent en beide detecties als afzonderlijke worpen registreert. Bij Autodarts stel je per camera in welk deel van het bord die als eigenaar geldt. De grens tussen die zones valt het best halverwege het overlappende gebied. Segmenten die precies op die grens liggen zijn het meest gevoelig: gooi een paar testpijlen in de 6, de 10 en de 15 om te controleren of de detectie daar consistent is.

Kalibratie in twee stappen

Kalibreer de twee camera's nooit tegelijk. Werk camera A volledig af, inclusief segmentcontrole, voordat je overschakelt naar camera B. Anders weet je niet welke afwijking van welke camera komt zodra je de resultaten vergelijkt. Na beide kalibraties controleer je de naad: de segmenten die precies op de grens van de twee detectiezones liggen. Gooi bewust testpijlen in die grenshoek en kijk of de detectie consistent is. Als een segment aan de rand steeds wordt gemist, verschuif dan de zonegrens in de software een fractie richting die camera. Kleine aanpassingen hebben hier een groot effect.

Tip: Controleer voor je gaat kalibreren of beide camera's echt strak vastzitten. Zelfs een kleine verschuiving van één camera tijdens het gooien verpest de kalibratie van die helft. Gebruik een waterpas op de beugel als je twijfelt, en trek alle schroeven nog een keer aan nadat je de camera in de juiste positie hebt gedraaid.

Vijf fouten die je dubbele opstelling onderuithalen

  • Beide camera's op dezelfde USB-hub aansluiten: dat deelt bandbreedte en verstoort de timing.
  • Verschillende framerattes instellen (bijvoorbeeld 30 en 60 fps): dit veroorzaakt inconsistente sync.
  • De zonegrens niet controleren nadat je beide camera's afzonderlijk hebt gekalibreerd.
  • Camera's op nagenoeg dezelfde hoek plaatsen: je wint dan nauwelijks extra dekking ten opzichte van één camera.
  • Kalibratie starten voordat de belichting volledig stabiel en opgewarmd is.